Intermezzo

Elk najaar, als de wind aantrok en het water steeg, wierpen de Bargters bezorgde blikken op de omringdijk. Hoe hoog zou het dit keer komen? Ze wisten wel dat de dijk te laag was, maar geld om hem hoger te maken was er niet. De vangst van haring en ansjovis leverde daarvoor te weinig op, en koopvaardij op de grote wereldzeeën lag buiten hun bereik. Ze moesten de dingen laten komen zoals ze kwamen; het leven was in Gods hand.
     Op een koude dag in januari begon het waterpeil in de sloten te stijgen. De weilanden liepen onder en de verbindingsweg tussen de terpen verdween onder water. De eilanders zetten het vee op stal en sjouwden hun huisraad zo goed en zo kwaad als het ging naar de bovenhuizen.
     Vanuit het noorden stuwde de wind het water op, de binnenzee in. De rivieren in het zuiden waren door slagregens al ver buiten hun oevers getreden. Het water kon nergens meer heen, alleen nog omhoog. Van de omringdijk was al snel niets meer te zien. De eilanders tuurden bezorgd over de woeste watervlakte die hun huizen helemaal insloot. Een enkeling verzuchtte: ‘Je zult het zien, hij staat weer om de hoek, de duivel.’
     Toen viel de duisternis in. De hele nacht waakten de eilanders in hun bovenhuizen en op zolders. Af en toe hoorden ze een angstige kreet, maar wat konden ze doen? Ondertussen steeg het water verder. Pas toen het lichtte in het oosten ging de wind liggen, begon het water te zakken en zagen ze wat het water had aangericht. Zes huizen dreven in zee. Van andere staken enkel wat balken boven de waterspiegel uit. Een tiental Bargters had die nacht het leven gelaten in het opeisende water.
     De Schepper heeft gegeven, de Schepper heeft genomen, de naam van de Schepper zij geloofd, zeiden ze tegen elkaar. Het waren woorden van Job, de rechtvaardige, woorden uit de oude geschriften. Een enkeling dacht bij zichzelf: het moet toch de zee zijn geweest die genomen heeft.
     Het water zakte, het leven op het eiland ging verder. De lente kwam, het jonge vee danste in de weide. Met elkaar knapten ze de huizen weer op.
     In de stad riep men: ‘Ontruim het eiland! Het leven daar is te hard voor mensen, de zee te gevaarlijk. Of leg een dijk aan, een dijk van land tot land, die het monster zal temmen, de zee mores zal leren.’
     Wat moet, dat moet, zuchtten de Bargters. Ze beseften dat hun lot bezegeld was. De dijk zou er komen, de zee doodvallen en zoet worden. De vis zou sterven en de wind ijl en zoet zijn. De zee zou niet veel meer nemen. En het was maar de vraag of de zee nog genoeg te geven zou hebben.