Hoofdstuk 1

Op de avond van de dag dat Izak Boon zijn moeder naar huize Voor Anker heeft gebracht, beseft hij dat er geen tijd te verliezen is. Hij sluit zijn woonschuur af, klimt over de dijk en loopt de steiger op. De zoete geur van de zee staat hem nog altijd tegen. De BA-16 doemt op uit de mist. Hij stapt aan boord, opent de stuurhut en steekt de sleutel in het contact. Te aarzelend naar zijn zin slaat de motor aan. Hij trekt een oliejas over zijn trui aan, de vrieskou is diep in zijn kleren getrokken. Met een oud stuk plastic veegt hij de ijsbloemen van het raam. De vrijgekomen rechthoeken beslaan direct weer en met een oude doek veegt hij het glas droog. Hij tuurt naar buiten en zoekt het water. De voorsteven is nog net te zien, de rest van de wereld gaat schuil achter een wit gordijn. Op het radarscherm is geen beweging te zien. Izak stuurt de kotter weg van de steiger.
De haven van Bargt zou hij met zijn ogen dicht nog kunnen vinden. Hij stuurt om een boei heen en volgt de vaargeul. De vlag blijft lusteloos aan de stok hangen. Monotoon ruist het buiswater, alleen onderbroken door het bonken van de ijsschotsen tegen de boeg.
Aan stuurboord ligt de dijk, weet hij, een rechte streep door de zee, alsof hij langs een liniaal is getrokken. Daarachter de eindeloze polder. Verderop de spitse daken van de vissershuizen, schuilend bij elkaar op de terpen. De toren van de Zuiderkerk steekt er in fiere vroomheid bovenuit. Hij kent het plaatje, maar de mist en de duisternis geven het deze avond niet prijs.
Het schip deint in de bocht als hij de haven binnenvaart. Tussen de pieren wordt de nevel wat dunner, de lichtbundel van de vuurtoren strijkt flauw over het voordek.
Tegen de steigers wacht de zoetzeevloot op de volgende dag. Hij haalt een hendel over, de motor valt stil en de BA-16 dobbert langzaam naar een lege plek. Het schip drukt zich in de stootbanden, die het narrig weer van zich af duwen. Izak springt op de vlonder en legt de trossen om de buitenste bolders, een voor en een achter het schip. Voor de zekerheid bindt hij nog twee lijnen om de middelste. Je weet nooit hoe morgen het weer is. Hij vloekt als de ruwe hennep in zijn handen snijdt.
De stilte in de haven beklemt hem. Een meeuw zit ineengedoken op de kop van een meerpaal. Ergens in de mist klinken negen klokslagen.

Hij begint in de richting van het dorp te lopen, langs de souvenirwinkels, de viswinkel van De Graaff, waarvan de rolluiken gesloten zijn. Bij De Laatste Trek staat een groepje vissermannen op de stoep te roken, ze roepen naar hem. Hij steekt zijn hand op en schiet een zijstraat in. Bij de werf van Zoutekaas, waar een stalen kotter met de neus omhoog ligt te wachten, klimt hij de trap op. Boven op de terp liggen de woonkamers op ooghoogte, van de meeste huizen zijn de gordijnen dichtgeschoven. Een kat steekt de straat over, verder is er geen glimp van leven te bekennen. Ongezien bereikt hij de Lichtbakenstraat.

Het slot geeft direct mee, de deur schuift over een stapeltje folders. Witte brieven steken ertussenuit. Hij duwt de deur verder open, hangt zijn oliejas naast de wintermantel van zijn moeder en pakt de stapel van de mat. Bovenop een envelop zonder postzegel, met een opvallend paars logo. ‘Makelaardij Hoekman, uw vertrouwen is onze reclame’. Naam en adres zijn er met de hand op geschreven. Hij legt de stapel op de tast op de keukentafel. Eerst licht, dan warmte, en daarna de post. Je moet de dingen in de goede volgorde doen. Hij knipt een paar lampen aan en zet de thermostaat in de kamer een paar graden hoger. Ergens in het huis slaat de ketel aan, door de radiatoren begint water te stromen.
De versleten bekleding op de rug van haar stoel bij het raam voelt klam onder zijn hand. De dijk is vlakbij, maar vanavond niet te zien. Alleen het licht van de vuurtoren weet door de mist heen te dringen. Hier zat ze, dagenlang. Als je op of onder de dijk langsliep, stak ze steevast haar hand op. Wie van Bargt kwam kende ze bij naam en toenaam, al zat ze er de laatste maanden steeds vaker naast.
De dingen die ze mocht meenemen, pasten precies in de weekendtas die hij voor haar had gekocht in een van de souvenirwinkels bij de haven. ‘Bargt, parel van de polder,’ stond er in zonnige gele letters op de zijkant. Toen hij haar erop wees, deed ze alsof ze hem niet hoorde.
In de smalle Perzische loper op de tafel tekenen de stille getuigen van haar dagelijks leven zich af. Net voor haar stoel de kale plek waar ze altijd haar hete theeglas neerzette. De grote cirkel in het midden, waar de vaas, die nu leeg op het aanrecht staat, zijn vaste plek had. De uiteinden van de laatste bos gele fresia’s steken uitgedroogd uit de afvalbak in de keuken. Er komt een muffe geur van af. Het harmonium in de hoek, met de geborduurde loper over de toetsen, het zwarte brede psalmboek gesloten op de lessenaar, de bank aangeschoven, alsof het niet de bedoeling is dat erop gespeeld wordt. Boven het orgel de sepia foto van de BA-08, voor de wind varend, de giek ver uitgestoken, het donkere grootzeil bol op de wind. De contouren van Bargt komen boven de horizon uit, het eiland ligt nog los in de zee.
De koekoeksklok boven het dressoir tikt. Ze zal hem vanochtend nog opgewonden hebben. Op het dressoir staan familiefoto’s in een bonte verzameling lijstjes. In het midden de standvastige blik van grootvader Klaas. Daarnaast de grote foto, de hele familie bij elkaar, tegen de achtergrond van de net geopende ijsfabriek. Zijn vader in het midden, met de pijp in de hand, de voldane glimlach. Zijn moeder leunt onwillig tegen zijn schouder. De gezichten op de foto lachen, maar als je naar de ogen kijkt zie je iets anders.
De kostbaarheden uit dit huis zullen ze meenemen, wat overblijft gaat naar de vuilstort. Nu alles in het huis nog op zijn plek ligt, is het of zijn moeder elk ogenblik de kamer binnen kan komen, de rijzige vissersvrouw die ze ooit was, met de gebloemde Bargter kap en de harde stem.
In de keuken draait hij de kraan open en laat het water in zijn mond lopen. Hij hoort haar roepen, vanuit haar stoel, met dat corrigerende toontje. Altijd dezelfde zinnen, waar hij haar vroeger eindeloos mee sarde. Met zijn handen wrijft hij het koude water over zijn gezicht. Hij grijpt naar de handdoek, het haakje aan de muur is leeg.
In de koelkast vindt hij de zes groene flesjes op een rij. Ze liggen er altijd, voor het geval ze langs zouden komen. Dat hij het bouwvakkersbier vond, daar trok ze zich niets van aan. ‘Je vader dronk altijd Heineken.’ Hij pakt er een, klemt de kroondop in de sluitplaat van de keukendeur en trekt hem eraf. Met het schuimende flesje in zijn hand gaat hij aan de keukentafel zitten. De folders legt hij in de vensterbank.
De brief van de makelaar is van ene Ivette de Boussaint. Ze kon hem niet bereiken, of hij contact wil opnemen. De gegevens moeten op de website gezet worden, binnenkort is het kijkdag. Hij legt de brief weg. Morgen maar even bellen.
Huize Voor Anker bevestigt schriftelijk de met mevrouw Boon gemaakte afspraken. Hij strijkt het papier glad en legt het bij de andere. Het bankafschrift uit de laatste envelop legt hij er zonder te kijken bovenop.
Hij neemt een slok van zijn bier en veegt met de rug van zijn hand een paar druppels van zijn kin. De radiatoren ruisen. Langzaam begint het behaaglijker te worden in het huis.