‘Ik ben geen omgekeerde zendeling geworden, die nu het tegendeel beweert.’

Voor het winnen van de Librisprijs 2019 was schrijver Rob van Essen (geb.1963) bij het grote publiek niet zo bekend. Dat is nu wel anders. Een gesprek over De goede zoon, een demente moeder en wat er rest na een reformatorisch geloof. 

In het prijswinnende boek De goede zoon gaat een zestigjarige schrijver op roadtrip met een oude vriend, die Lennox heet en die hij kent uit de tijd dat ze samen bij het gemeente-archief werkten. In die tijd zijn dingen voorgevallen die het daglicht niet kunnen verdragen, maar de vraag is of ze op hun geheugen kunnen vertrouwen om de waarheid te achterhalen. Een zelfrijdende auto brengt hen op de plaats van bestemming, waar ze bediend worden door een portierrobo, die even later gemoedelijk een sigaretje staat te roken. Dit apocalyptische scenario lijkt absurd, en dat is het ook wel, maar Rob van Essen weet daar authentieke menselijke verhalen doorheen te weven. 

Rob van Essen voor de Zuiderkerk in Rijssen – still uit filmpje Tubantia

Mogen we De goede zoon als een maatschappijkritiek lezen? 

Dat zit er zeker wel in. Ik ben niet met een vooropgezet plan vertrokken, waarbij ik van tevoren al wist waar het over moest gaan. Eerst was er het verhaal van de roadtrip en de informant die zijn geheugen moet herstellen, dat is de kern van het boek. Jaren geleden heb ik dat al eens verzonnen. De rest is eromheen geklonterd. Door het verhaal in de toekomst te plaatsen, komt er ruimte voor een satirisch beeld van de tijd en het menselijk bedrijf. En op het laatst werd het ook nog een moederboek. Dat gebeurde toen mijn moeder overleed. Door het lange en wat moeizame schrijfproces was de hoofdpersoon steeds meer op mezelf gaan lijken. Toen die moeder erbij kwam, en ik haar in het boek ook liet sterven, vielen alle puzzelstukjes op zijn plaats. 

Je schrijft kritisch over het basisloon. Sluit je hiermee aan bij je eerdere boek Kind van de verzorgingsstaat

Eigenlijk is De goede zoonde fictie-pendant van dat boek. Ik schreef het toen ik al met De goede zoon bezig was. Het gaat over de jaren waarin ik jeugdwerkloos was en nauwelijks geprikkeld werd om te solliciteren. Volgens mij leidt het basisloon, wat je tegenwoordig overal weer ziet opkomen, tot lethargie. Ik heb daar ook wel kritiek op gekregen, dat het wetenschappelijk zou zijn aangetoond dat mensen er juist creatiever van worden. Ik heb daar mijn twijfels bij. Er is niet één soort mensen, de een zal inderdaad creatiever worden, de ander niet. 

De robo’s en de auto’s lijken menselijker dan de mensen. Heb je dat met opzet zo gedaan? 

Met die zelfrijdende auto wel, dat is mijn favoriete personage in het boek. Eigenlijk is hij uit de nood geboren. Ik stuurde twee mannen op roadtrip en na een paar dagen rijden dacht ik: ze moeten nog wel even, maar ze zijn al uitgepraat. Toen heb ik die auto bedacht. Het was even zoeken naar zijn stem, maar toen ik die had, wilde ik ook echt alles eruit halen wat erin zit. Het is een therapeutisch en zorgzaam gesprek geworden. Tegelijkertijd is hij ook geprogrammeerd. 

Denk je dat de wereld ook die kant opgaat?

We leveren ons hele hebben en houden aan nu al aan computers uit, zonder dat we het goed door hebben. Wat ik ook schets in het boek: we ontwikkelen kunstmatige intelligentie, maar wie zegt dat die altijd dienstbaar zal blijven? Zouden ze hun interesse in ons niet verliezen als ze eenmaal zelfstandig zijn en beter kunnen nadenken dan wij? Wie zijn wij dan nog voor hen? Het is ongewis welke kant het opgaat. Overigens was het niet mijn intentie harde science-fiction te schrijven, ik wilde vooral onderzoeken wat we met deze dingen willen. 

Had je al eerder over je moeder geschreven? 

Nee, eigenlijk niet. Wel over mijn vader, in Het jaar waarin mijn vader stierf. Ik vond het zo obligaat, iedereen moet tegenwoordig een moederboek schrijven. Maar het diende zich aan, en ik ben het niet uit de weg gegaan. De gedeelten over mijn moeder zijn ook autobiografisch, ik heb haar alleen 100 laten worden, en geen 93, zoals mijn moeder. Dat paste wel bij een verhaal in de toekomst. 

 Je hebt haar vijftien jaar lang elke woensdag bezocht in het verzorgingshuis in Huizen. Dat is best lang. 

Ja, maar dat wist ik nog niet toen ik eraan begon. Toen mijn vader nog leefde ging ik eens in de twee weken. Later elke week, toen ze hulpbehoevender werden, zodat ik wat boodschappen voor hen kon doen. Op een gegeven moment zat ze op de gesloten afdeling. Een wekelijks bezoek was toen niet meer nodig, maar ik vond het een prettig ritme. Mijn moeder vond het ook prettig en ik kon steeds beter met haar opschieten. Naarmate ze dementer werd, werd ze aardiger, omdat ze stilviel. Een hand vasthouden en wat foto’s kijken was genoeg. 

Je schrijft opvallend positief over de dementie van je moeder. 

Mijn moeder werd ook echt gelukkiger naarmate ze dementer werd. Die andere kant herken ik ook wel, om me heen in het huis zag ik veel pure ellende. Mijn moeder was een uitzondering. Ze raakte haar angsten kwijt, angst voor de dood, bijvoorbeeld. Dat kon ze niet meer beredeneren. Het hele godsdienstbesef viel weg, ze kon in het moment leven. Je kan jarenlang boeddhistisch mediteren, maar zij had het als vanzelf bereikt. Er werd voor haar gezorgd, en ergens had ze dat haar hele leven wel gewild. Ze had vier kinderen, een huishouden, dat was zwaar voor haar. 

Klopt het dat je een parallel ziet tussen Boeddhisme en dementie? 

Ik heb een tijdje een boeddhistische tic gehad, meditatiecursussen en zo gevolgd. De schrijver in het boek zit daar ook mee te worstelen. Hij ziet het spirituele gebeuren in het westen als spelen met iets wat in het oosten heel anders in elkaar zit. Dat gaat ons dus ook niet echt redding brengen. Maar dat verliezen van het ik, wat in het boeddhisme centraal staat, die parallel met dementie wordt in het boek wel gelegd. Dat is ook de ironie: als je geest niet meer bestaat, dan kun je de hele dag vriendelijk glimlachend om je heen kijken. 

Je moeder leefde met angsten, zei je. Jullie waren thuis kerkelijk, van de gereformeerde gemeenten en later van de gereformeerde bond in de hervormde kerk. 

Mijn moeder was een angstige vrouw, bang voor hel en dood. Toen ze ouder werd kwamen daar irreële angsten bij, schaduwen om haar heen en zo. Mijn ouders zijn net na hun trouwen een tijd niet kerkelijk geweest. Toen ik vier was, keerden ze terug in de Gereformeerde Gemeenten. We gingen Rijssen wonen, waar mijn vader leerkracht werd op een reformatorische school. Ze hebben nooit goed duidelijk gemaakt waarom ze die stap gezet hebben, maar wat zeker meespeelde is dat mijn moeder toch bang was dat het allemaal waar zou zijn. Ze was niet intellectueel en kon het ook niet intellectueel oplossen, door er bijvoorbeeld boeken over te lezen. Bij mijn vader was dat heel anders, die las veel en wat veel stoïcijnser van gemoed. Op zijn sterfbed vroeg ik of hij bang was voor de dood. Hij had er wel vertrouwen in, zei hij. 

Komen die angsten volgens jou voort uit het geloof? 

Het geloof biedt wat mij betreft mogelijkheden genoeg om de al bestaande angst te vergroten. Ik denk dat bij mijn moeder de angst er eerder was, en dat het later de angst voor de hel geworden is. Als kind was ik daar nooit zo bang voor, maar een van mijn zussen lag er echt wakker van. Zij was zeven jaar toen we terugkeerden naar het geloof, ze had het leven ervoor ook bewust meegemaakt. 

Maakt het dan verschil dat je niet altijd in de kerk gezeten had? 

Bij vriendjes op school ging dat inderdaad anders. Ik was verbaasd dat iedereen gewoon doorleefde terwijl er mensen naar de hel gaan. Daarom wilde ik dominee worden. Daar moet je mensen toch van willen redden? Ik snapte werkelijk niet waarom niet iedereen zendeling of dominee werd. Je kunt geloof blijkbaar op een laag pitje zetten en je niet te veel afvragen. Het was ook een vrij gesloten gemeenschap, waar niemand tv had. Ik ben benieuwd hoe dat tegenwoordig is, na de komst van de nieuwe media. 

Wanneer begon je te twijfelen aan het geloof? 

Al vrij snel, hoewel het proces langzaam is gegaan. Op mijn twaalfde kwam ik wel zo’n beetje tot de conclusie: dit kan niet waar zijn, dit is te wreed. Waarom moet de hele wereld eronder lijden als het geloof nog niet aan iedereen geopenbaard is? 

Dat zijn vrij volwassen gedachten voor een jongen van twaalf.

Ik dacht ook vrij veel na. We mochten naar de openbare bibliotheek. Daar leende ik boeken over geschiedenis, biologie en las ik over de evolutietheorie. Daar ontstond de twijfel over wat ik geloof over de schepping, wat zesduizend jaar geleden in zes dagen tijd gebeurd moest zijn. Als je een steentje weghaalt, kom je bij een soort lichter geloof terecht, en ook dat is afgekalfd. Na twee jaar trok ik de conclusie dat het niets voor me was. 

Heb je overwogen je bij een andere kerk aan te sluiten? 

Ik was een puber, dan ga je niet alleen naar een andere kerk. Ik kwam tot de conclusie dat het geloof door mensen in elkaar was gezet, dat de Bijbel door mensen was geschreven. In een god geloven is wat mij betreft een cultuurkwestie. Ik zie wel een soort godvormig gat dat gevuld wil worden. Ik heb ook nog wel een religieus besef. Met het Dawkins-achtige atheïsme, die op oudtestamentische wijze tekeergaat, heb ik totaal geen sympathie. Ik ben geen omgekeerde zendeling geworden, die nu het tegendeel loopt te verkondigen. Herman Finkers zei ooit, toen hem gevraagd werd of hij als gelovige mensen geen spiegel wilde voorhouden: Ik ken ze niet eens, misschien zijn ze wel beter dan ik. 

Bijbeltaal, zoals je die bij auteurs als Siebelink wel ziet, zie ik niet echt terug in je boek. 

Daar heb ik ook nooit iets mee gehad. Daarvoor staat de Bijbel te ver van mij af. Ik heb wel een tijdje op een bijbelleesclub voor ongelovigen gezeten. De verhalen kende ik wel van vroeger, maar mijn vader las altijd uit de Statenvertaling. Dat ging het ene oor in, het andere uit. Ik ontdekte dat de Bijbel een bonte verzameling teksten is die niet echt te definiëren valt. Een aantal dingen, zoals Spreuken en Prediker kun je rustig onder de wereldliteratuur scharen. Ik kan me moeilijk voorstellen hoe mensen uit zo’n incoherent boek een consistente waarheid kunnen delibereren. 

Wat is er nog in jou overgebleven van je reformatorische jeugd. In De goede zoon heb je het over de onzichtbare goden van het geweten. 

Dat heb ik nog steeds ja. Dat zal ook wel met mijn persoonlijkheid te maken hebben. Ik heb nogal wat calvinistisch plichtsbesef, wat heel dicht tegen zondebesef aanligt. Dat is prima, het houdt me ook gaande en het zorgt ervoor dat ik mijn deadlines haal. 

Wat verandert het winnen van de Librisprijs aan je leven? 

Ik kreeg altijd wel de waardering voor mijn boeken van recensenten, maar het grote publiek kende mij niet. Dat is nu ineens anders. De goede zoon staat al wekenlang in de bestseller60, waar ik nog nooit ook maar een week in heb gestaan. Er wordt nu anders tegen mij aangekeken, daar moet ik nog wel mee leren omgaan. Het levert wel leuke uitnodigingen op. 

Wat maakt schrijven voor jou zo belangrijk? 

Het maakt me gelukkig. Ik schrijf omdat ik het kan. Het kan gebeuren dat ik voor mijn gevoel al anderhalf uur zit te schrijven, dan kijk ik op en zie ik dat het vier uur verder is. Dan ben ik in de flow geweest, dat is een geluksmoment. 

Die dominee die je ooit wilde worden, zit die nog ergens? 

Ik denk het wel, in de ideeën die ik in mijn boek uitdraag. 

Arie Kok

Dit interview is gemaakt voor Woord & Dienst, opiniërend magazine van de Protestantse Kerk, september 2019.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Woord en Dienst

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s