Ben ik een racist?

Als Arie Kok een zwarte jongen over z’n Franse camping ziet lopen is zijn eerste reflex: opletten. En dat knaagt. Want hij gelooft heilig dat alle mensen gelijkwaardig zijn en dat God elk mens evenveel liefheeft. ‘Huist er een racist in mij?’, vraag hij zich af. Een zelfonderzoek.

Op een ochtend kijkt de succesvolle architect Steve in de spiegel. Wat is er met zijn blanke huid gebeurd? Deze zwarte man, is hij dat zelf? Ongezien door het huispersoneel probeert hij zijn auto te bereiken, maar de confrontatie met klanten en collega’s zal hij niet uit de weg kunnen gaan. De Zuid-Afrikaanse auteur André Brink laat zijn witte hoofdpersoon in de korte roman Spiegel (2008) ervaren wat racisme is. Elke ontmoeting die werkdag is een confrontatie, maar niemand lijkt iets aan hem te zien. Ze zeggen er tenminste niets over. Maar op straat wordt hij uitgescholden, komt hij in vechtpartijen terecht, slaat hij zelf iemand neer. Eenmaal thuis laat hij zich verleiden door de hoogblonde Duitse au-pair van het gezin. De mensen benaderen hem anders, en hij laat gedrag zien dat niet bij hem past. De verandering van huidskleur zet zijn leven volledig op zijn kop, maar niemand die er tegen hem ook maar een woord aan wijdt.

Het is zo maar een vroege ochtend op een Franse camping. De zon staat op punt van doorbreken. Het zeil dat over de veranda gespannen is, klappert in de ochtendbries. De voorafgaande dagen hebben we de fietspaden aan de Atlantische Kust verkend. Alsof we op Terschelling zijn, alleen is de lucht iets blauwer. Terwijl ik een bladzijde van mijn boek omsla, kijk ik op. Ik stel vast dat er iemand langs loopt en wil aan de nieuwe pagina beginnen. Maar ik heb iets afwijkends gezien, en kijk nog een keer. Het kunstig ingevlochten zwarte haar, modieus opgeschoren, felkleurige sneakers aan zijn voeten, de donkere huid. ‘Nu moet ik op mijn spullen gaan letten.’ Het is de eerste gedachte die in me opkomt. Een paar seconden maar, dan druk ik het weg. Ik sta immers voor de waarden van de westerse samenleving: vrijheid, gelijkheid, broederschap. Huidskleur doet er niet toe.  

‘Als ik hier niet de neger ben, en jij hem dus hebt bedacht, dan is de vraag: waarom?’

Het voorval laat me die dag niet los. Ik zie een zwarte jongen en mijn eerste associatie is: diefstal. Wat zegt dit over mij? Waarom denk ik dat? Huist er een racist in mij? Heb ik last van vooroordelen die ik nog niet ken, of niet erkend heb? Een paar maanden eerder zag ik in de bioscoop de film I am not your negro. Een documentaire over de Amerikaanse auteur James Baldwin, zwart, homoseksueel en opgegroeid in Harlem-New York. Het zijn de jaren zestig, de Civil Rights Movement in de Verenigde Staten is op zijn hoogtepunt. De slavernij mag dan alweer een eeuw afgeschaft zijn, witten en zwarten zitten op verschillende scholen, hebben andere plaatsen in de bus. Zwarte leiders als Martin Luther King en Malcolm X marcheren door de straten van de steden, de één geweldloos, de ander desnoods met geweld. Baldwin levert zijn bijdrage aan het protest door actief deel te nemen aan tv-debatten.

De film opent met een opname van The Dick Cavett Show. Het is 1968, het jaar waarin King wordt vermoord en waarover later het boek ‘The year that turns the world’ zal worden geschreven. Dick Cavett wil van Baldwin weten waarom de zwarte mensen in de VS niet wat optimistischer zijn. Het gaat toch goed met ze, ze doen mee in de sport, de politiek en tv-reclames. Baldwin wrijft bedachtzaam over zijn kin en begint dan aan zijn antwoord. ‘De vraag is niet hoe het met de zwarte man gaat, de vraag is: wat gaat er met dit land gebeuren?’ De film schakelt naar beelden van lynxpartijen, groepen blanken slepen lijken van zwarten door de straten, witte mensen staan te joelen bij een schoolplein omdat een zwart kind is toegelaten. Een stroom van indrukken, anderhalf uur lang, terwijl een tekst van Baldwin door een commentaarstem wordt voorgelezen. In de slotscène keren we terug naar de studio. Sigarettenrook kringelt om het gegroefde gelaat van Baldwin. Zijn blik schiet heen en weer, maar zijn stem klinkt vastberaden, soeverein: ‘Ik ben geen neger, ik ben een man. Als jij denkt dat ik een neger ben, dan heb jij die neger blijkbaar nodig. (…) Als ik hier niet de neger ben, en jij hem dus hebt bedacht, als jullie witte mensen hem hebben bedacht, dan is de vraag aan jullie: waarom? De toekomst van dit land hangt af van het antwoord op deze vraag.’ Aftiteling.

‘Zwarte mensen kamperen niet,’ zei een zwarte dominee eens tegen me, toen ik hem vroeg waar hij zijn vakantie zou doorbrengen en of hij ook van kamperen hield. Het sarcasme in zijn stem was me niet ontgaan. Nu loopt er een zwarte man over de camping, ik kijk hem na en denk aan mijn spullen. Ik ben een witte man, net de vijftig gepasseerd. Ik kom uit een witte familie, op twee geadopteerde kinderen na. Ik ga naar kerken waar er hooguit een paar mensen afkomstig uit voormalige koloniën tussen de kerkgangers zitten. Ik ben er heilig van overtuigd dat God alle mensen even lief heeft, en dat alle mensen gelijkwaardig zijn en recht hebben op vrijheid. Nee, een racist kan ik niet zijn. 

      Het is nog even wennen, maar er huist een racist in mij.

‘Zwarte Piet is racisme,’ stond op de shirts van anti-Zwarte Piet activisten. De leus stoorde me, hoewel ik al een paar jaar vind dat we dat feest moeten aanpassen. Maar waarom er met gestrekt been in? Gewone mensen die een kinderfeest vieren van racisme betichten, dan vraag je toch om problemen? Kom op, relax. Moeten we ons druk maken over verschillen in huidskleur? Alle mensen zijn toch gelijk? Die kleur doet er toch niet toe? Als je er voortdurend een thema van maakt, ben je dan niet juist racistisch bezig, racisme aan het stimuleren? En daar voegt Baldwin die andere vraag aan toe: waarom zie jij niet gewoon een man als alle mannen, maar zie jij een zwarte man? Waarom heb je dat nodig? Ik kom er niet goed uit en besluit op onderzoek uit te gaan. 

Eerst de vraag wat racisme eigenlijk is. Amnesty International biedt uitkomst. Op hun website legt de internationale organisatie voor de mensenrechten uit dat van racisme sprake is als een groep om raciale redenen minderwaardig behandeld wordt of daarover vernederende uitspraken gedaan worden. Vervolgens wordt uitgelegd dat volken in oude tijden etnocentrisch leefden, meer op basis van cultuur dan ras. Bij de opkomst van het antisemitisme aan het einde van de Middeleeuwen kreeg dit ook raciale elementen. De tekst gaat nog even verder en komt tot de slotsom dat raciale verschillen er tegenwoordig nauwelijks meer toe doen. ‘Bovendien heeft bijna ieder menselijk individu ook genen van andere rassen.’ Fijn om te weten, dat laatste. Ik ben razend benieuwd welke rassen in mijn bloed schuilgaan. Tegelijk besef ik dat vermenging van rassen aan de orde van de dag is en dat dit alleen maar zal toenemen. Racisme heeft dus te maken met ‘minderwaardig behandelen’. Hoort het zitten op een veranda en iets fouts denken over een passerende kampeerder daar ook bij? Heb ik iemand behandeld? Toen ik de zwarte jongen de volgende dag weer tegenkwam, heb ik hem hartelijk gegroet, iets te uitbundig, hij keek me vragend aan. Ik ben maar snel doorgelopen. 

De definitie van Amnesty zal een juridische achtergrond hebben. Je kunt mensen aanklagen op basis van gedrag, niet op basis van gedachten. Ik heb slechts een zwart persoon met iets slechts geassocieerd. Was dat een incident, of zit dat als een verborgen laag in mij? Het is tijd voor een test. De gerenommeerde universiteit van Harvard biedt een zogenaamde Implicit Association Test aan op hun website, met een speciale editie voor het thema ‘wit en zwart’. De test is toegespitst op de Amerikaanse situatie, maar daar sla ik me wel doorheen. Ik moet met behulp van bepaalde lettertoetsen woorden met een goede en woorden met een slechte associatie indelen. Bovendien moet ik foto’s van gezichten van personen indelen in wit en zwart. Tot zover gaat het goed. De test meet mijn snelheid van reageren. De laatste en beslissende stap in de test is dat ik woorden moet indelen bij ‘witten’ danwel ‘zwarten’. De snelheid waarmee ik woorden kan koppelen is beslissend. Ik zit er af en toe flink naast en voel de conclusie al aankomen: ‘Uw uitkomsten suggereren een sterke automatische voorkeur voor Europese Amerikanen boven Afro-Amerikanen.’ De makers houden wat slagen om de arm, er kunnen andere factoren in het spel zijn, maar het is me wel duidelijk: ik koppel woorden met een slechte lading snel aan zwarte personen en woorden met een positieve lading aan witte personen. Als ik een positief woord aan een zwart gezicht moet koppelen, of een woord met een negatieve lading aan een wit gezicht, dan reageer ik significant langzamer, aldus de experts van Harvard.

Still uit I am not your negro

Het is nog even wennen, maar er huist een racist in mij. De jongen op de camping was geen incident, ik associeer ‘zwart’ structureel met ‘slecht’. Wat nu? Ben ik een slecht mens? Draag ik een voedingsbodem voor racistische sentimenten in me mee? Ik zoek mijn toevlucht bij de Vlaamse hoogleraar Frank Van Overwalle, neuropsycholoog van de Vrije Universiteit van Brussel. In een online publiekscollege laat hij een zaal studenten een test doen die sterk lijkt op die van Harvard, waarbij hij woorden laat associëren met Europese en Arabische gezichten. De uitkomst laat zich raden, de zaal staart de professor vragend aan. ‘We zijn allemaal geboren als racisten,’ zegt hij. In de Vlaamse krant De Morgen werkt Van Overwalle zijn ideeën verder uit: ‘Het zijn onze hersenen die mensen indelen volgens huidskleur en daar bepaalde kenmerken aan koppelen. Elk mens op de wereld heeft de neiging in vooroordelen over andere groepen te denken en is bovendien traditioneel wantrouwig tegenover groepen. Die kiemen zitten in ieder van ons en kunnen snel ontspruiten tot racisme.’

De hoogleraar zoekt de oorsprong van dit denken in de fase van de evolutie waarbij we voor onze veiligheid in kuddes moesten gaan denken. Vooroordelen waren nodig om de goede en veilige kudde te herkennen en te weten wie daar niet bij hoorde en je moest wantrouwen. Nu dat niet meer nodig is, zitten we maar mooi met die vooroordelen opgescheept. Zijn we dus allemaal racisten, uit pure noodzaak zelfs? Van Overwalle: ‘Racisme ontstaat wanneer de pendel doorslaat. Elke mens heeft een sociale identiteit waarmee hij zich afzet tegenover andere groepen. De mix van dit gegeven, negatieve vooroordelen en biologische wantrouwigheid zijn de ideale cocktail waaruit racisme kan ontspruiten. Het is simpel aangeboren.’

‘Wat je ziet is wat je geleerd hebt om te zien.’

Psychiater en neurowetenschapper Iris Sommer sluit hierbij aan. In een interview in dagblad Trouw benadrukt ze dat het niet mogelijk is onbevangen in het leven te staan. Waarnemen gebeurt in de hersenen. ‘Zien doe je niet met je ogen, maar met je hersenen. Wat je ziet, is wat je geleerd hebt om te zien. Het is gebaseerd op kennis en ervaringen die je al een keer eerder hebt opgedaan. Wat je ziet blijft als het ware alleen hangen als er een haakje voor is.’ Ze geeft een voorbeeld: ‘Zien we een poster van de SP, dan associëren we dat met staking, actie en Brabanders.’ We maken dus associaties, en die deugen vaak niet. De wereld is namelijk onvoorspelbaar en onbegrijpelijk. Sommer sluit aan bij een theorie van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman, die twee snelheden van denken onderscheidt. Het snelle denken, dat onbewust plaatsvindt. Dit gebeurt vooral op basis van intuïtie. Opvoeding, cultuur en religie spelen hierbij een belangrijke rol. En hoe angstiger we zijn, hoe sneller we denken en hoe intuïtiever we reageren. Aan de andere kant staat het denken met aandacht, het denken dat moeite kost en wat je je bewust bent. Sommer bepleit te werken aan een lerende houding: ‘door je wereld uit te breiden, wordt je waarneming ruimer. Je ziet en hoort wat je weet. Weet je meer, dan zie en hoor je ook meer. Er gaat dan een wereld voor je open.’ 

Toen mijn ogen de beelden van de zwarte man doorgaven aan mijn hersenen, zijn alle gegevens die in mij lagen opgeslagen over ‘zwart’ dus naar boven gehaald: kroeshaar, donkere huid, sneakers, gangstarap, geweldadige en seksistische taal, stadsghetto’s, drugs, criminaliteit, diefstal. De kunst is langzamer te denken, de realiteit van mijn eerste gedachten tijdig in te zien. En belangrijker: me te verdiepen in de zwarte medemens, hun geschiedenis, afkomst, cultuur en omstandigheden en zo mijn informatie aan te vullen, zodat ik een completer beeld van hen heb. Moet ik ook kleurenblind worden, zodat huidskleur er niet meer toe doet? Zouden we met zijn allen kleurenblind moeten worden? Dat zou pas kunnen als we ook echt kleurenblind zijn, als zwart en wit er inderdaad niet meer toe doen. En die doen er nu juist wel toe, zeggen de anti-racisme-activisten. En dan valt al snel het begrip ‘white privilege’. Ook een woord dat me tegen de haren instrijkt. Hoezo privilege? Ik? Gaan we slachtofferschap cultiveren? Dat helpt ons niet verder. 

Ik besluit het nader bekijken. Pionier in het denken over ‘white privilege’ blijkt Peggy McIntosh. In 1988 publiceerde ze een groot essay waarin ze de voordelen van een witte huidskleur onderzocht. Ze somt zesenveertig vragen op die je met ‘ja’ of ‘nee’ kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld: ‘Als je in je eentje naar een luxe winkel gaat, maak je je dan zorgen of iemand je in de gaten houdt?’ Nog een: ‘Als een verkeersagent je aanhoudt, vraag je je dan af of je huidskleur hier iets mee te maken heeft?’ Of: ‘Als je pleisters, make-up of ondergoed in ‘nude’ of ‘huidskleur’ koopt, weet je dan van tevoren al dat de kleur niet zal lijken op jouw huidskleur?’ Ik kan alles met ‘nee’ beantwoorden. Het voelt ongemakkelijk. Is je huidskleur anders dan wit, dan word je daar in een westerse samenleving dus voortdurend mee geconfronteerd in negatieve zin. Mensen zeggen er niets van, zoals bij de architect in de roman van André Brink, maar ze handelen er wel naar.   

Ik ga naar kerken waar er hooguit een paar mensen afkomstig uit voormalige koloniën tussen de kerkgangers zitten.

Ras doet er dus toe. Kleur doet ertoe, ook als ik daar zelf niets van merk. Zoals ik laatst in een televisieprogramma zag. Een jongen met een Arabisch uiterlijk wordt gekoppeld aan een hoogblonde Nederlandse dame. Ze moesten samen iets gaan ondernemen, het is me ontschoten wat.  
‘Waar kom je vandaan?’ vraagt de vrouw. 
‘Uit Utrecht,’ is het antwoord, in accentloos Nederlands. 
‘Nee, ik bedoel, waar kom je echt vandaan? Waar ben je geboren?’
‘In Utrecht. Ik heb hier op school gezeten, woon altijd al in Nederland.’
Ze lachen wat ongemakkelijk en gaan aan de slag met hun klus. Maar ondertussen is het onderscheid gemaakt. En zolang het onderscheid gemaakt wordt, kunnen we niet doen alsof huidskleur er niet toe doet. Dat zou een ontkenning zijn van al die kleine en minder kleine opmerkingen waaruit we onze witte superioriteit subtiel laten blijken. 

Ik denk er nog wat verder op door, de vraag van James Baldwin vraagt ook nog om een begin van een antwoord. Waarom vinden we het vaak problematisch als de ander de nadruk legt op huidskleur? Waarom loopt de Zwarte Pietendiscussie zo uit de hand? Mijn vel veroorzaakt geen problemen, dat van de ander wel. Als ik eerlijk naar mezelf kijk, dan voel ik me naast een zwarte medemens net iets beter, net iets hoger in de hiërarchie. Mijn bestaan is immers iets vanzelfsprekender, want aan mijn huidskleur zal het niet liggen. Hoe subtiel het verschil ook is, en hoe subtiel ik het kan wegmasseren met beleefde en beschaafde opmerkingen of goedbedoelde dienstbaarheid die vaak minder onschuldig is dan het lijkt. Ik proef daar iets van onzekerheid in, onzekerheid over onze eigen identiteit. Dat heeft alles te maken met secularisatie en globalisering. 

Zolang het onderscheid gemaakt wordt, kunnen we niet doen alsof huidskleur er niet toe doet.

Het vertrouwde kader is weggevallen, de wereld is onoverzichtelijk geworden. Wat geloven we nog? Waarom woon ik waar ik woon? Waar kan ik mezelf aan spiegelen? Waarom komen die anderen aan onze tradities en gewoonten? We hebben een ‘neger’ nodig, in de woorden van Baldwin, omdat we ons soms niet prettig voelen in deze veranderende wereld. Met de ander om kunnen gaan, vraagt echter dat we zelf lekker in ons vel zitten, dat we ons bewust zijn van ons eigen verhaal, onze eigen afkomst. Om het Bijbels te zeggen: als je niet van jezelf kunt houden, kun je niet van de ander houden. Weten wie je bent als witte man of vrouw, welk verhaal daarachter zit, met zowel de lichte als de donkere hoofdstukken, maakt dat je steviger staat. Laten we maar erkennen dat kolonialisme, slavernij en ons ongebreidelde streven naar welvaart hun sporen getrokken hebben in de wereld. Als we dat eerlijk erkennen, zijn we ook beter in staat om persoonlijke kritiek te incasseren. Ik realiseer me nu dat ik daarom dit artikel wilde schrijven. Omdat we de strijd tegen racisme, tegen groeiende tegenstellingen in de samenleving, niet over moeten laten aan degenen die het treft. Het probleem zit net zo goed bij ons, bij mij, bij mijn land en volk. Moet ik mijn Nederlanderschap en mijn witte identiteit dan maar relativeren? Juist niet. Maar ga wel voor het eerlijke verhaal.  

Arie Kok 

Dit artikel is eerder verschenen in De Nieuwe Koers, maart 2019. Meer info: denieuwekoers.nl.

Verantwoording

De gesproken teksten van James Baldwin uit de filmI am not your negrozijn ook in boekvorm uitgegeven: zelfde titel, Penguin pockets. De film is inmiddels op dvd verkrijgbaar. 

De Harvard-testen zijn te vinden op: impicit.harvard.edu.

Het publiekscollege van Frank van Overwalle is te vinden op: www.universiteitvanvlaanderen.be/college/zijn-we-allemaal-racisten

Iris Sommer wordt geciteerd uit Trouw Letter & Geest, 22 december 2018. Ze schreef over haar inzichten recent het boek: De zeven zintuigen, over waarnemen en onwaarnemen

De white privilege-vragen zijn ontleend aan de vereenvoudigde test op de website van het Amsterdam Museum: amsterdammuseum.nl.

1 reactie

Opgeslagen onder Actuele blogs, Uncategorized

Een Reactie op “Ben ik een racist?

  1. Wat een bemoediging om dit te lezen Arie, vooral ook deze woorden: “Omdat we de strijd tegen racisme, tegen groeiende tegenstellingen in de samenleving, niet over moeten laten aan degenen die het treft. Het probleem zit net zo goed bij ons, bij mij, bij mijn land en volk.” Je geeft woorden aan een strijd die voor mij als onderdeel van een zwarte familie heel persoonlijk is geworden en het is goed om te lezen hoe je verantwoordelijkheid wilt nemen en anderen aanmoedigt hetzelfde te doen. Dankjewel!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s