Het verhaal van Jona

Kinderbijbel low resVoor de kinderbijbel God wil bij mensen wonen schreef ik twee verhalen over Jona. Omdat het bij ons in de kerk deze weken over Jona gaat, heb ik ze hier online gezet.

 

Op de vlucht voor God

Moet hij, Jona, naar Ninevé? Dat is toch de hoofdstad van de Assyriërs, die heidenen? Dat zijn gevaarlijke lui, die de Israëlieten graag de zee in zouden drijven. En nu wil God dat hij, de zoon van Amitthai, hen gaat waarschuwen? Dat kan niet waar zijn. Weg moet hij, weg van hier. Weg uit het land van deze God.
Jona holt verder. Zijn plunjezak bonkt op zijn rug. Daar beneden ligt Jafo. Daar kan hij de boot nemen. Naar Tarsis wil hij varen, aan de andere kant van de zee. Daar kan de God van Israël hem niet meer lastigvallen.

De boot schommelt gevaarlijk heen en weer. Steeds hoger worden de golven. Wat gaat die zee tekeer! De bemanning schreeuwt door elkaar. Trek de touwen eens wat strakker! Gooi die vaten overboord, we zijn te zwaar! Maar wat ze ook doen, niets helpt. De wind raast, de mast kraakt, de zeilen kunnen elk moment scheuren.
‘Er moet iets gebeuren, anders breekt het schip.’ De kapitein buldert boven de wind uit. ‘Bidt allemaal tot je god, of hij ons wil helpen. Er heeft toch niemand iets misdaan, mag ik hopen? Als de goden zich maar niet willen wreken. En waar is die passagier eigenlijk? Die Jona?’
Een knecht steekt zijn hoofd uit het luik van het ruim. ‘Jona? Die ligt lekker te slapen.’
‘Slapen? Laat hij tot zijn god bidden, daar hebben we wat aan.’ Met grote stappen loopt de kapitein op het luik af en hij verdwijnt in de diepte.
‘Laten we loten.’
‘Ja, laten we dat doen. De goden moeten zelf maar duidelijk maken wie hier de boosdoener is.’
De dobbelstenen ratelen over het dek. De een na de ander gooit, maar niemand heeft dubbel zes. Dan is Jona aan de beurt. Hij wrijft de slaap uit zijn ogen, rolt de stenen even over de palm van zijn hand en gooit ze dan voor zich neer. Hij had het kunnen weten: dubbel zes.
De andere mannen staren hem aan. ‘Wie ben jij eigenlijk? Waar kom je vandaan? Wat heb je gedaan?’
Hakkelend begint hij te vertellen. ‘Ik ben Jona, Hebreeër. Ik geloof in de God die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij vroeg mij iets te doen wat ik niet wil. Ik had niet verwacht dat zijn macht tot hier zou reiken, maar ik ben bang…’
De mannen laten hem zijn zin niet afmaken en schreeuwen door elkaar.
‘Hoe kun je zo dom zijn?’
‘Je brengt ons allemaal in gevaar.’
‘Wat nu? Moet je kijken, de storm wordt steeds heviger.’
Jona krimpt in elkaar. Hij weet het, er zit niets anders op. ‘Jullie moeten mij maar in zee gooien, dan zullen de golven jullie verder met rust laten. Deze storm is de straf voor wat ik heb gedaan.’
‘We gaan het nog even proberen,’ roept de kapitein. ‘Kom jongens, roeien!’
‘Het zal niet helpen,’ zegt Jona. ‘Bid tot mijn God, dat is het enige wat je kunt doen.’
Een paar mannen zakken op hun knieën en beginnen te bidden. Moeten ze Jona zomaar in het water gooien? Zal deze god hen dan niet juist straffen. ‘Heer, God van Jona, als hij niets gedaan heeft, wilt U dat dan laten weten? We willen geen onschuldige man in de zee gooien.’

Het blijft stormen. Dan pakken twee mannen Jona bij zijn schouders, twee andere bij zijn voeten. Met een grote zwaai verdwijnt Jona over de reling. Nog even zien ze zijn witte gezicht in het groene water. Tot er een grote vis tussen Jona en de mannen door zwemt. De grijze staart slaat op het water. De vis verdwijnt weer, van Jona is ook niets meer te zien.
Al snel gaat de wind liggen en komen de golven tot rust. Nu kunnen ze veilig verder varen.

Jona 1 en 2

 

Jona en de wonderboom

‘Toch wil ik dat jij naar Ninevé gaat, Jona,’ zegt God. ‘Ik ben er niet alleen voor jou en je volk. Ik ben er voor alle mensen op aarde, dus ook voor de mensen in die stad.’
Jona zucht. Als God roept, kun je niet wegvluchten, dat weet hij nu wel. In de buik van de vis heeft hij nog een lied bedacht, net voordat hij op het strand werd uitgespuugd. Drie dagen en nachten had hij zitten tobben in die vieze vis. Toen kwamen de woorden vanzelf: ‘Wat ik beloofd heb, zal ik nakomen.’

Jona gaat op weg. Met de God van Israël valt niet te spotten. Wat een grote stad is Ninevé! Je doet er wel drie dagen over om naar de andere kant te lopen. Na een tijdje blijft Jona staan, op de hoek van een pleintje. Hij haalt diep adem en begint met zijn preek. De mensen die langs lopen kijken nieuwsgierig op. Wat is dat voor man? Wat zegt hij? ‘Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd. Bekeert u tot de God van Israël.’
De schrik is van de gezichten van de mensen af te lezen. Wat is dat nu? Gaat de God van Israël hen straffen? Komt die man hen daarvoor waarschuwen? Dan kunnen ze zich maar beter bekeren.
Ook de koning van Ninevé hoort de boodschap van Jona. Hij scheurt zijn koningskleed, doet zijn rouwkleed om en gaat in het stof zitten. Hij roept de heraut bij zich. ‘Zeg tegen de mensen van de stad dat ze de God van Israël om genade smeken. Wie weet bedenkt die god zich wel.’

Jona is boos op God. Is hij helemaal naar Ninevé gegaan om te zeggen dat de stad verwoest zal worden, gebeurt er niets. God heeft zich bedacht. Maar hij, Jona, staat nu voor aap. Hij had het geweten toen hij op de boot naar Tarsis stapte. Ook zonder zijn preek zou God genadig geweest zijn. Waarom zou hij verder leven, als het toch niet uitmaakt wat hij doet?
‘Ik zie dat je boos bent,’ zegt God.
Jona gaat op een paaltje zitten en knikt mismoedig.
‘Is dat eerlijk van je, Jona?’

Jona loopt de stad uit. Zal Ninevé echt niet verwoest worden? Is dat dan wel eerlijk? Hij weet het nog zo net niet. Hij klimt een berg op en maakt een afdakje van bladeren. Daar gaat hij onder zitten. Jona wil wel eens zien wat er gaat gebeuren. Het kan toch niet waar zijn dat God zijn woord niet houdt? Als het gebeurt, wil hij niets missen. Die Assyriërs zullen ervan lusten.
Wat is het warm hier op de berg. Jona veegt het zweet uit zijn gezicht. Er zou hier een boom moeten staan, zodat hij in de schaduw kan zitten. Hij kijkt om zich heen. Hé, stond dat boomje er net ook al? Of zou God… Niet over nadenken, gewoon lekker eronder gaan zitten. Heerlijk, die schaduw. Hij knapt er helemaal van op.

Als Jona de volgende dag vroeg wakker wordt, brandt de zon al heet op zijn hoofd. Hoe kan dat nu? Het boompje zorgde toch voor schaduw? Hij kijkt omhoog. Wat is dat?! De hele boom is verschrompeld. De takken hangen er als slappe vaatdoeken aan. Het begint te waaien. Een warme woestijnwind, dat kan er ook nog wel bij. Als het zo moet, denkt Jona, dan heb ik geen zin meer om te leven.
‘Jona!,’ zegt God.
‘Ja, Heer.’
‘Is het eerlijk van je dat je zo boos bent?’
‘Ja, Heer. Dat prachtige boompje is dood. Ik kan nergens meer schuilen voor de zon. Het is een schande.’
‘Jona, jij hebt voor die boom niets hoeven doen. Hij stond er zomaar, daar heb Ik voor gezorgd. En toch hield je van die boom. Zou Ik dan niet mogen houden van de duizenden mensen en dieren in de stad?’

Jona 3 en 4

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s