‘Vijf enkeltjes Vught, meneer’

Zie ook: Filmpje nijkerk.nieuws.nl

Een jaar of wat geleden was ik in Israël. Om precies te zijn, in Jeruzalem, in Yad Vashem. Het grote holocaustmonument. Rijen namen, uitgehakt uit hoge marmeren platen. Ik zag Warschau en Breslau, Lodz en Praag. Steden ver weg. Maar ik zag ook: Elburg, Zutphen, Apeldoorn, Utrecht en… Nijkerk.

Toen ik daar stond, dacht ik: het verhaal van de stad waar ik opgegroeid ben, kruist het verhaal van het oude Joodse volk en van dit land. Op het kruispunt van deze twee verhalen ligt een ander verhaal. Wat is er gebeurd? Moet dat verhaal niet verder verteld worden?

Ik ben op zoek gegaan. Met mensen gesproken, in het gemeentearchief gedoken. Daar vond ik een lijst met namen. 59 in totaal. Met namen als: Cohen, Coltof, Hamburger, Mok, Nihom. Ze woonden in de Nieuwsstraat, de Kloosterstraat, de Spoorstraat. En Mozes de Liever. Ze noemden hem Morie. Hij woonde op Holkerstraat 13, net onder de witte toren.

Hem moest ik hebben. Zijn verhaal was het verhaal van de Joden van Nijkerk. Toen ik veertig jaar geleden zelf voetbalde in de straten van Nijkerk, had ik geen idee dat er dertig jaar daarvoor net zo’n jongetje in diezelfde straten speelde. Toen ik vroeger in de Grote Kerk zat, psalmen zong en de wet hoorde lezen, wist ik niet dat er ooit een kerk was, een stukje verderop, waar ook die Psalmen zongen werden, en de wet gelezen. Ze deden het alleen in een andere taal, het Hebreeuws. En ze gingen niet op zondag, maar op zaterdag naar de kerk. We waren allebei gewone Nijkerkse jongens. Hij was er ook geboren, ik niet.

Toch loopt Mories verhaal heel anders af. Het is april 1943. Morie is 15 jaar. Er is een brief bezorgd. Zijn moeder maakt de enveloppe open.

‘We moeten onze spullen pakken, we gaan op reis.’

‘Waarheen, moeder?’

‘Naar Vught, mijn jongen.’

‘Waarom is dat? Wat is daar?’

‘Een kamp, daar moeten we werken.’

‘Moeten wij ook werken? Is er ook een school? Komen we hier weer terug? Waarom mogen we hier niet blijven wonen?’

En daar gaan ze… Het is 9 april 1943. In hun tassen een beker, een bord, een schone onderbroek, een tandenborstel…’ Ze lopen onder de witte toren door, langs de Grote Kerk. Door de Langestraat. Er staan wat mensen op straat. Ze geven handen, zwaaien, sommigen huilen. Sterkte! Tot ziens! Verder gaat het. Door de Kleterstraat, de Spoorstraat.

Ook uit andere straten komen mensen aan. Familie Cohen, familie Colthof, familie Hamburger. Het wordt een hele stoet.

Op het station staat de trein al klaar. Eerst nog een kaartje kopen bij het loket. Vijf enkeltjes Vught, meneer.

De trein zet zich in beweging. Op het perron staan mensen te zwaaien. Ze rijden Nijkerk uit. De witte toren wordt steeds kleiner, tot ze hem helemaal niet meer kunnen zien.

Hebben ze de toren ooit terug gezien? Waarschijnlijk wel, één keer. Op een warme junidag in 1943. Een trein vol kinderen, met hun ouders, werd van Kamp Vught naar Kamp Westerbork gebracht. De hele familie was compleet. Hebben ze wat gezien? De toren, de mensen?

Eén nacht zijn ze in Westerbork geweest. Daarna ging de reis verder. Naar het Oosten, ver in Polen. Daar hebben ze niets van gezien. Veewagens hebben geen ramen. Drie dagen lang, staan, zonder eten of drinken, zonder wc.

Toen ze uitstapten mochten ze onder de douche. De mannen en de vrouwen apart. Verlangend hebben ze omhoog gekeken. Na drie dagen smerigheid wil je schoon water over je lijf. Maar uit de douchekoppen kwamen uitlaatgassen van een benzinemotor. Na een half uur werd het stil de doucheruimte. Heel erg stil.

Sinds 2002 staat er aan de Bruins Slotlaan een monument. We zijn er net langs gekomen en hebben er bloemen gelegd. Mories naam staat erop, en 43 andere. 44 Nijkerkers die in koelen bloede vermoord zijn. Waarom? Omdat ze zonen en dochters van Abraham waren. Omdat ze anders waren dan anderen. Of beter: omdat anderen vonden dat ze anders waren.

Ook vandaag nog denken we soms dat mensen anders zijn dan wij. Omdat ze ook kinderen van Abraham zijn. Omdat ze een ander geloof hebben. Of omdat ze uit een ander land komen. Of omdat ze anders ruiken, omdat ze ander eten koken. Of omdat ze de dingen een beetje anders doen dan wij. We leven allemaal met vooroordelen. Waar het om gaat, is hoe we ermee omgaan.

Vandaag is het 4 mei en staan we stil bij de doden van de jaren 40-45. We kunnen dat doen omdat het morgen 5 mei is, en we vieren dat we in vrijheid mogen leven.

Het kan geen 4 mei zijn zonder 5 mei. Maar het kan ook geen 5 mei worden, zonder dat het 4 mei is geweest. Laten we de vrijheid gebruiken om elkaar de verhalen te vertellen. Omdat het zomaar weer kan gebeuren. Omdat ik alleen maar vrij kan zijn, als jij dat ook bent. Omdat ik alleen maar vrij kan zijn, als we allemaal vrij zijn.

Arie Kok

Toespraak gehouden tijdens de dodenherdenking op 4 mei 2016 in het Van Rheenenpark in Nijkerk. Aansluitend las Emma Meeuwissen van het Corlaer College haar prijswinnende gedicht ‘Oorlog’ voor.

1 reactie

Opgeslagen onder Morie

Een Reactie op “‘Vijf enkeltjes Vught, meneer’

  1. Heel mooi Arie. Ik ben het helemaal met je eens.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s