‘Wie moet dan de doodsangst van die gettodagen oproepen?’

9789063537067-onder-de-schaduw-van-uw-vleugelsAls uitgever houd je bij de presentatie van een boek meestal een praatje over hoe leuk het was om samen te werken en hoe goed het boek is geworden. Dat ga ik straks ook doen. Maar in dit geval maak ik een uitzondering en wil ik ook wat inhoudelijke dingen zeggen, omdat het onderwerp me zo na aan het hart ligt. Waarom is de uitgave van de dagboeken van Jochen Klepper zo belangrijk?

Een paar weken geleden bezocht ik de resten van kamp Buchenwald. Als je komt aanrijden, zie je op de heuvel het monument al liggen. Het kijkt uit over Weimar, de stad van Goethe, Schiller en Bach, de stad die stond voor hoogtijdagen van de Westerse beschaving. Op de Ettersberg mijmerde Goethe over een volgend gedicht, terwijl hij genoot van het uitzicht over de heuvels van Thüringen. Bij de aanleg van het kamp besloot men het niet Ettersberg te noemen, maar Buchenwald. Men moet iets hebben aangevoeld. Een boom liet men staan, dat werd de Goethe-eik. De resten staan er nog, afgezaagd op een halve meter boven de grond en bezaaid met steentjes. Honderd meter verderop staat het crematorium van het kamp, met een kamertje waar 8.000 Russsische soldaten, een voor een, met een nekschot werden geëxecuteerd.

Een paar dagen ervoor was ik in Bergen-Belsen. Vandaag is dat een vredig heideveld, met bomen erlangs en vogels erboven. Als je oppervlakkig kijkt, tenminste. Ga je wandelen, dan kom je langs de massagraven. Hier 1500 doden, daar 2500. In totaal liggen hier de resten van 50.000 mensen anoniem begraven. Mensen als u en ik. Op slechts drie uur rijden vanaf de Nederlandse grens.

Blijkbaar is onze beschaving een dun laagje. In ons mensen huist het kwaad. Tijdens de shoah kreeg dat vorm doordat een satanische ideologie gesublimeerd werd in een industrieel proces. Joden, Roma, Sinti, verstandelijk beperkte mensen, homo’s, het waren gezwellen op de huid van de ideale wereld die de nazi’s voor ogen stond. De hoogste beschaving moest met genetica worden bereikt, en alles wat daar niet aan meewerkte vernietigd. Het resultaat kennen we. Als we om heenkijken in deze prachtige boekhandel komen we boeken tegen over concentratiekampen, goederenwagons en gaskamers.

Kunnen we 70 jaar na dato peilen wat er gebeurd is, hoe het was? We doen pogingen. We bezoeken de kampen, maar het zijn musea geworden. De ruïnes van de barakken staan er nog, maar het geschreeuw en het gevloek van de bewakers klinkt niet meer. Je hoort de stervenden niet meer kermen, je voelt de leegte in jezelf die honger heet niet, want je hebt die ochtend nog goed gegeten. Je ruikt de angst niet. Hoe was dat, de totale ontmenselijking, de vernietiging van elke menselijke waardigheid, kunnen we niet meer meemaken zoals het was.

Aan goede – en soms ook slecht – bedoelde pogingen om dat wel mee te maken wordt goed verdiend. Holocaust kitsch zorgt voor bestsellers. In boeken als Haar naam was Sarah of De jongen in de gestreepte pyama worden de gruwelen vermengd met een dosis romantiek, zodat we het een beetje kunnen volhouden, en de laatste pagina van het boek halen. Als het mensen bij de holocaust betrekt, dan wordt er iets mee bereikt. Als mensen naar aanleiding van het lezen van zo’n verhaal ter plekke willen gaan kijken, dan is dat winst. Maar Elie Wiesel, die Auschwitz en Buchenwald overleefde, zei: je kunt over deze verschrikkingen geen verhalen verzinnen. Je moet er geweest zijn om te weten hoe het was, om te kunnen vertellen hoe het was.

Chava Rosenfarb (1923-2011), een jiddische schrijfster, zat in Bergen-Belsen en maakte daar de bevrijding mee. Eerder woonde ze in een getto, waar Joden werden verzameld in afwachting van hun transport. Omdat dat efficiënter was. Vooral in Polen en Oekraïne was deze methode effectief. Alle joden bij elkaar in een wijk, twee keer, drie keer, vier keer meer mensen dan daar normaal gesproken konden wonen. Muur eromheen, schildwachten bij de poorten, je kunt je de ellende die dat gaf nauwelijks voorstellen.

Chava Rosenfarb woonde in zo’n getto en leerde daar Bunim Shayevitch kennen. Twee creatieve geesten, schrijvers, dichters. In de zomer van 1945, als Chava in een kazerne bij Bergen-Belsen wacht op bericht of haar vader nog zal leven, houdt ze een kort dagboek bij. Dat is onlangs vertaald en in Vrij Nederland gepubliceerd. Ik lees u voor wat ze op 30 juni 1945 schrijft, een dag waarop ze zich maar moeilijk tot schrijven kan zetten.

‘Ik ben benieuwd of er ooit een alomvattend literair meesterwerk zal komen dat het verleden herschept. Ik betwijfel het. Ik denk terug aan mijn gesprekken in het getto met Shayevitsch, toen hij aan zijn lange gedicht schreef. Ik zei tegen hem dat zo’n epos uit een bepaald perpectief moet worden geschreven. Er moet tijd overheen gaan. Hij kon toen onmogelijk weten hoe zijn lange gedicht zou eindigen of dat het onvoltooid zou blijven. Hij zei tegen me: ‘Ons leven moet worden vastgelegd terwijl het zich voltrekt. Ik laat het verhaal van ons dagelijks leven van het puntje van mijn pen afdruipen. Verder hebben we niets nodig.’ Vandaag besef ik dat het ook niet anders had gekund. Het perspectief zal mettertijd groeien, het zal zich uitrekken en dun worden. Wie moet dan de doodsangst van die gettodagen oproepen? Zulke dagen zijn alleen te beschrijven als ze zich voltrekken – met snijdende, ingehouden adem. Precies zoals schrijvers en dichters in het getto deden. Wie afstand heeft, kan zich alleen flarden van het geheel herinneren. Maar die herinnering mist de hartenklop van het trillende, koortsige heden.’

Ik herhaal een zinnetje, het citaat van Shayevitch: ‘Ons leven moet worden vastgelegd terwijl het zich voltrekt. Ik laat het verhaal van ons dagelijks leven van het puntje van mijn pen afdruipen. Verder hebben we niets nodig.’ En Rosenfarb laat daarop volgen: ‘Wie moet anders de doodsangst van die gettodagen oproepen?’ Daarom moeten er boeken verschijnen zoals vandaag de dagboeken van Jochen Klepper. Toen Abel Herzberg in Bergen-Belsen zat was hij bang dat hij na de oorlog zijn eigen herinnering niet zou geloven, dat het allemaal een boze nachtmerrie was geweest.

Zouden we iets begrepen hebben van hoe onderduiken is als we het dagboek van Anne Frank niet hadden gehad? Hoe het is om met teveel mensen op een kluitje te wonen, als het raam niet open mag, met mensen die je niet zelf uitgezocht hebt? Hoe het voelt, en ruikt? Wat je hoort, ziet en niet ziet? Wat angst met je doet als je laarzen hoort dreunen op straat?

Zouden we iets begrepen hebben van de verschrikkingen van Bergen-Belsen als Abel Herzberg niet avond aan avond een papiertje meesmokkelde naar zijn bed, met het risico op een zware straf, en met zijn laatste stompje potlood opschreef wat hij zag, wat hij ervan vond? We kunnen het nu lezen in Tweestromenland.

En nu liggen hier de dagboeken van Jochen Klepper, protestants-christelijk romanschrijver en lieddichter, ingeleid, vertaald en geselecteerd door Titia Lindeboom. Ze heeft u net meegenomen in het verhaal van zijn leven. Hij was geen Jood, zat niet in een kamp, woonde niet in een getto. Formeel gezien zou hij hebben kunnen ontsnappen aan de tentakels van het duivelse systeem. Een scheiding van zijn geliefde, maar Joodse, Hanni was voldoende geweest. Klepper streed de strijd van de enkeling tegen het systeem. Een strijd die de consequentie was van zijn eigen keuzes. Maar hij streed hem. Omdat hij eerlijk wilde aan zichzelf en aan God. Omdat hij wist wat ware liefde was. Hij streed totdat hij geen uitzicht meer had en zich via zelfdoding overgaf in de handen van Christus.

Zijn dagelijks leven, zijn angsten, twijfels en hoop liet hij van het puntje van zijn pen afdruipen. Net als die andere dagboeken die ik noemde maakte hij zijn notities niet om later veel exemplaren van zijn boek te verkopen. Hij was er niet op uit de emoties van zoveel mogelijk mensen op te roepen met een tranentrekkend levensverhaal. Hij noteerde slechts om zijn gedachten te ordenen, om geestelijk zijn hoofd boven water te houden. En nu mogen wij dat lezen, dat is een groot voorrecht.

Onder de schaduw van Uw vleugels zal geen grote verkoophit worden. Maar wel een klassieker van het niveau van de gevangenisbrieven van Bonhoeffer en de dagboeken van Etty Hillesum. Ik hoop dat we over een paar jaar nog maar weer eens een nieuwe druk zullen mogen opleggen, dat Klepper over vijf jaar, als we 75 jaar bevrijding vieren en er nauwelijks nog ooggetuigen in leven zullen zijn, nog steeds wordt lezen. Het boek heeft het in zich.

Het vertalen van deze dagboeken en het verder brengen van het gedachtegoed van Jochen Klepper is het levenswerk van Titia Lindeboom geworden. Ze is daarbij niet over een nacht ijs gegaan, en heeft een vertaling van uitstekende kwaliteit aangeleverd. We zijn er als Royal Jongbloed trots op dat we hieraan mogen bijdragen door het boek uit te geven.

Arie Kok

Toespraak gehouden bij de presentatie van ‘Onder de schaduw van Uw vleugels’ van Jochen Klepper, 15 mei 2015, boekhandel Riemer in Groningen.

Het citaat uit Vrij Nederland is afkomstig uit de editie van 25 april 2015. De vertaling is van Rien Verhoef.

 

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een Reactie op “‘Wie moet dan de doodsangst van die gettodagen oproepen?’

  1. Een pracht van een toespraak. Het is fijn om het hier rustig nog eens na te kunnen lezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s