Tussen regels klinkt een gerucht

Op Goed Gerucht zoekt volgens de website naar creativiteit, lef, spiritualiteit en humor in de kerk. Op de 28ste Geruchtdag wordt God gezocht tussen de punten, komma’s en witregels van de literatuur. Met Oek de Jong, Desanne van Brederode, Cees Bregman en Johan Goud. Als schrijver, en voorzitter van een club die de verbinding probeert te leggen tussen geloof en literatuur, zoek ik een dagje mee.

Zijn theologie en literatuur twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden?, vraagt de dagvoorzitter zich af. Het gedicht van Martinus Nijhoff over de brug bij Bommel zal vandaag nog vaak terugkomen. Maar eerst interviewt ds. Sytze Ypma gelauwerd romanschrijver en essayist Oek de Jong. Door zijn werk is een zoektocht te herkennen naar taal om spirituele ervaringen te verwoorden. Is dat terug te voeren op zijn gereformeerde jeugd? Doet literatuur voor hem hetzelfde als het orgelspel van zijn vader Klaas, gereformeerd boegbeeld en oud-staatssecretaris?

In zijn jongere jaren keek De Jong op tegen mensen met een spirituele ervaring, mensen die geloofden. ‘Ik dacht: mensen die over God spreken hebben meer levenservaring dan ik, zien dingen die ik niet kan zien. Rond mijn veertigste ontdekte ik dat zij en ik in dezelfde wereld leefden en ik hen best kon begrijpen. Er was geen wezenlijk verschil tussen mensen die geloven en ikzelf.’ De Jong bestudeerde de mysticus Meister Eckhart, die hem de hem de weg naar het innerlijk wees. ‘De samenhang tussen taal en innerlijk is dichterlijk. Schrijven lijkt sterk op het maken van geïmproviseerde muziek. Ze zoeken beiden een balans tussen weten en het gebeuren dat je overkomt. Ik probeer door de taal heen te breken en bij een andere laag te komen. Als protestant zat ik erg vast aan de taal, Eckhart leerde mij daarvan los te raken.’

‘De relatie tussen taal en mystiek kent een innerlijke tegenstrijdigheid. Mystiek is een geestelijke gesteldheid die de taal juist opheft. Ik probeer spirituele ervaringen te verwoorden zonder in jargon terecht te komen. Bij rituelen gaat het er juist om dat de taal steeds hetzelfde is. Dat is ook mijn kritiek op mijn goede vriend Willem Jan Otten. Hij heeft de katholieke symboliek in zijn taal opgenomen. Dat doet voor mij geforceerd aan. Het is anders dan Gerard Reve, die zijn religieuze taal helemaal zelf ontwikkeld heeft. Dat is zo’n krachtig brouwsel, dat zoveel uitwerking in de samenleving heeft gehad. Er is behoefte aan schrijvers en dichters die het religieuze in een eigen taal brengen, en zo aansluiten bij waar mensen nu zitten. Bij de predikanten uit mijn jeugd in Zeeland, wat overigens allemaal integere mensen waren, werkte de taal niet meer. Ik kan mij goed voorstellen dat mijn vader achter het orgel met hetzelfde bezig was, muziek was voor hem heel fundamenteel.’

De Jong ziet voor theologen een spanningsveld als het gaat om het ontwikkelen van een nieuwe taal. ‘De grote religieuze teksten, zoals de psalmen, zijn gemaakt door schrijvers en dichters. Daar ligt dus het begin. Maar de vraag is of je als predikant zonder vaste taal, zonder formules of jargon kunt. Dat lijkt me heel moeilijk, omdat mensen ook behoefte hebben aan herkenbare taal. Ik denk dat het een wisselwerking is tussen de behoefte aan het herkenbare en het zoeken naar vernieuwing, en tussen literatoren en theologen.‘

Ds. Cees Bregman verzorgt na de lunch een adempauze en laat zich inspireren door Nijhoff. Men dicht nu eenmaal geen preek, en men preekt nu eenmaal geen gedicht. Taal werkt twee kanten op, in- en uitademing. Proza wordt geboren uit het verlangen van de mens om de wereld buiten hem te verkennen. Je ademt in, waar een punt of een komma staat, op een dode plek. Poëzie creëert levende plekken voor de inademing, het is een hoorervaring, meer dan een leeservaring. In een gedicht is de stilte ingebouwd.

Désanne van Brederode bedient zich voornamelijk van proza en begint haar lezing met een anekdote. Een man koopt eindelijk eens bloemen voor zijn vrouw, omdat ze veertien jaar getrouwd zijn. Het wordt een bos rozen, veertien stuks. Per stuk kosten ze twee euro, vijf voor zevenvijftig. Veertien rozen komt op drieëntwintig euro, dus zegt de verkoopster: als u er één bij neemt, kost het u vijftig cent minder. Prima, zegt de man, maar pakt u die vijftiende roos dan apart in. Hij denkt: die breng ik even bij mijn minnares langs.

De rozen zouden hun waarde verliezen als alle betrokkenen de waarheid kennen. De literatuur is een plek om zo’n situatie op te dissen, zodat lezers alleen maar hoeven te kijken. Door oog in oog te staan met zo’n pervertering van liefde, kunnen we zien wat liefde niet is, maar het oordeel schorten we op. De binnenwereld van mensen kun je alleen maar betreden als je je eigen oordelen en meningen even als niet-relevant verklaart, als je je eigen zieleleven opschort. Pas dan kan ik in andermans oneindigheid intreden. Een auteur moet zich niet in het verhaal mengen met zijn bedoelingen. De lezer moet zelf vragen gaan stellen. In fictie gaat het nooit om het vinden van een waarheid. De lezer moet het werkelijk voor waar nemen, en zich niet kunnen verschuilen achter meningen en oordelen.

Van Brederode wil een personage laten zien zoals zichzelf. ‘Ik wil niet achter zijn rug om een onderonsje met de lezer hebben om God ter sprake te brengen. Ik zou mijn personage tot middel voor mijn doel maken. Dat wil ik niet. Dan maak ik God tot de rozen waarmee ik mijn verhaal begon, en versper ik de toegang, omdat ik zelf zoveel over religieuze ervaringen te vertellen heb. Het zou een miskenning zijn van de zelfstandigheid van mijn personage en van Christus zelf.’

‘Waarom vertelde Jezus zoveel in gelijkenissen? Een dominee verzuchtte in de krant: elke keer weer over die barmhartige Samaritaan preken, wat moet je nog zeggen? Ik heb mee daarover verbaasd en denk dat Jezus de werkelijkheid juist complexer maakt door gelijkenissen. Uiteindelijk gaan al die parabels over Hemzelf. Hij brengt een risicovolle boodschap. Een goede preek smaakt altijd naar meer, maakt je reislustig.’

Professor Johan Goud heeft veel goeds gehoord bij Van Brederode, maar plaatst ook een kanttekening. ‘Prekers zijn hermeneuten, van het Woord en van de gemeente. Dat zijn loyaliteiten die het onvermijdelijk maken dat er richting wordt gewezen. Maar ook in romans wordt een wereld gepresenteerd waarin de lezer kan gaan wonen (Ricoeur). Daarmee wordt ook een richting gewezen.’

Ds. Cees Bregman mag de punt achter de dag zetten. De punt is rond, de dag is rond. Een o, van overzijden, uit de reeks G-o-d. Joden zetten een apostrofe, een afwending, een zacht zuchten, een adempoosje. God als inademing. Wat er dan uitkomt is een ‘Oh, God’, een ‘O dat daar mijn moeder voer’, de voorlaatste regel uit het gedicht van Nijhof, dat afsluit met: ‘Prijs God, zong zij. Zijn hand zal u bewaren’.

Arie Kok

(Dit artikel verscheen eerder in Woord en Dienst, oktober 2013).

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Artikelen, Woord en Dienst

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s